Etappe 01 GR128 Wissant-Guînes

32,59km ─ ↑↓ 576m

Percentage verhard: 50%

Startplaats: Wissant, strand

Aankomst: Guînes, Parking Bois de Guînes

Vervoer: Wagen en plooifiets

Hike: Solo


Vandaag is de start van iets nieuw, starten aan de GR128 van Wissant naar Aachen. De op één na laatste GR die ik aanvat die West-Vlaanderen aandoet. De GR129 van Brugge naar Arlon houd ik als laatste route voor ik West-Vlaanderen definitief kan afvinken. De GR128 heeft de naam Vlaanderenroute gekregen maar deze naam vind ik niet echt toepasselijk mits de GR honderdachtenzestig kilometer door het Noorden van Frankrijk slingert. Dit is volgens vele bronnen het mooiste deel van de route. Naar gewoonte start ik aan het begin van een Grote Routepad en ik kies voor het mooie kustdorpje Wissant.


Ik vertrek om 0600 uur richting Guînes en word tegengehouden aan de grens in Adinkerke door een erg onvriendelijk gendarme. Hij weet met te vertellen dat ik te snel door het ‘checkpoint’ rijd maar ik rij amper vijftien kilometer per uur. Helemaal gechoqueerd door de vaststelling vertel ik de man dat ik zeker niet te snel reed waarop het helemaal escaleert. Hij dringt mij aan om mijn achterste ruiten te openen waarop ik wil uitstappen. De man beveelt me echter te blijven zitten. Hij opent dan maar zelf mijn deur en observeert, ja, een wandelrugzak en een plooifiets. De vondst van de dag nietwaar? Ik begin me op te jagen, sluit mijn deur en trap op het gaspedaal. ‘Bienvenue en France’ ‘grinnik’.


Ik kom aan op de parkeerplaats midden in het bos van Guînes, het is er erg rustig en ik kan me op mijn gemak klaarmaken om naar Wissant te fietsen. Ik bedenk me tijdens de eerste honderd meter dat ik een leuke fietstocht zal hebben mits ik op een heuvel geparkeerd sta. Wissant ligt immers aan de kust dus zal het wel bergaf gaan. Na drie kilometer kom ik al terug op die gedachte want deze rit zal uiteindelijk hels worden. Dit is Heuvelland maal twee, hoeveel hellingen kan je hebben op achttien kilometer fietsen ‘grinnik’. Op één van de laatste afdalingen haal ik mijn recordtempo allertijden op mijn plooifiets, maar liefst zesenveertig kilometer per uur. Na een klein uur te hebben afgezien, haal ik de finish. De zandige kustlijn van Wissant.



Ik kan eindelijk beginnen aan de legendarische Vlaanderenroute en stap door de straatjes van Wissant. Het is rustig want de toeristen slapen nog, ik kom voorbij het oude ‘Hôtel de la Plage’ en ‘Ancient port de Wissant’ met zijn mooie watermolen. Aan Place du Général de Gaulle staat een prachtig monument voor de gesneuvelde Franse soldaten uit de beide Wereldoorlogen. Via Rue du Lieutenant André Baude verlaat ik het centrum en opent zich een prachtig landschap.



“Tijdens de Eerste Wereldoorlog, op 26 juli 1917 om 0420u is er een Duitse U-Boot UC-61 met vijfentwintig bemanningsleden gestrand die volgeladen was met mijnen en torpedo's. Dit vanwege de dichte mist op het kanaal. Sinds 1932 verdween hij onder het zand. Rond de jaarwisseling van 2018-2019 is hij terug boven water gekomen wegens zandverplaatsingen.”


Net voor virtuele kilometerpaal één en een half kom ik een mooi Mariabeeld tegen. Ik heb geen Christelijk geloof maar ik hoop dat ze me een behouden tocht toewenst. Aan het kruispunt vervoegt de GRP Tour du Calaisis mij, weer een Streek-GR om te onthouden. Na enkele kilometers genieten van de vergezichten en het glooiende landschap met bloeiend koolzaad en weides omzoomd door meidoornhagen, kom ik aan in het gehucht Sombre. Het gehucht heeft maar drie straten dus voor ik het weet sta ik weer in de velden. Hier werk ik de volgende kilometers enkele hoogtemeters af en daal ik af naar het dorpje La Haute Escalles, een gehucht dat bij het eigenlijke dorp Escalles hoort dat iets verder bergafwaarts gelegen is. Via Route de Peuplingues verken ik het kleine dorpje tot ik links af moet slaan naar Chemin du Moulin. Hier gaat het stevig naar boven en passeer ik de ruïne van een oude windmolen ‘Moulin d’Escalles’ en Mont d’Hubert dat tien meter hoger gelegen is. Ik stijg verder tot Noir-Mottes een heuvel van honderdeenenveertig meter. Hier krijg ik zicht over Cap Blanc-Nez en de kust, een uitzicht om U tegen te zeggen. De hellingen zijn bezaaid met kraters afkomstig van bombardementen tijdens de Tweede Wereldoorlog.



“Door de strategische ligging van beide kapen was dit een trekpleister voor de grootste legers die onze geschiedenis rijk is. Zowel Romeinen, Napoleon en het Duitse Naziregime hadden hetzelfde doel. Via deze strategische plek Engeland veroveren. De Duitsers waren er ook zeker van dat geallieerden via de Opaalkust zouden binnenvallen. Vandaar dat het landschap nog vele sporen bevat van de Tweede Oorlog zoals, bunkers en bomkraters.”

“Escalles werd van 844 tot 864 Scala genoemd dat in het Oud-Germaans ‘tijdelijke behuizing’ zou betekenen. Andere bronnen wijzen erop dat Scala afkomstig zou zijn uit het Latijn en zou de plaatsnaam ‘trap’ betekenen. In het feodale tijdperk was Escalles onderhorig aan het Graafschap Guînes.”


Na het stijgen kom ik uit op een vlakte en betreed ik het natuurreservaat van Cap Blanc-Nez, een grof kiezelpad dat door het duinengebied kronkelt. Hier zijn de inslagen echt nog duidelijk en hebben de Duitsers hier hoogstwaarschijnlijk toch spannende tijden meegemaakt. Aan virtuele kilometerpaal tien en een half kom ik aan een bunker, deels begraven. Wat me hier opvalt zijn de vele Gulden Sleutelbloemen, de helling kleurt romig geel. Nog nooit zag ik er zoveel op één plaats. Ik stap verder door het kraterveld tot ik toch een iets grotere bunker tegenkom. Ze is geheel kapotgeschoten, tussen de brokstukken zie ik een tunnel die jammer genoeg afgesloten is. Hoogstwaarschijnlijk leidt de tunnel naar achterliggende lagergelegen grond. Aan Chemin de Leuléne verlaat ik het reservaat. Op de achtergrond wordt mijn rust doorbroken door het scherpe geluid van crossmoto’s, wat een irritant geluid is me dat! Aan het motorterrein ligt er nog een bunkercomplex dat uitkijkt over de stad Calais. Het is frappant want vanaf dit punt, uitkijkend richting Calais, is alles zo vlak als een biljarttafel. Ik stap snel verder om van dat irritante geluid af te zijn.



“De Gulden Sleutelbloem, voorheen Gewone Sleutelbloem, Primula Veris is een vrij unieke plant die je enkel kan vinden op niet bemeste graslanden en duingebieden op kalkhoudende grond. Dit kruid werd al genoemd door Plinius de Oudere vanwege zijn vroegbloeiende eigenschappen. Soorten uit het geslacht Primula samen met andere kruidachtige planten speelden een belangrijke rol in de medicinale wereld en als rituele brouwsels bij Keltische druïden. Waarschijnlijk werd het als ingrediënt gebruikt bij rituele drankjes om de absorptie van andere kruidenbestanddelen te verhogen.”


Op zoek naar een bankje, een minderheid op deze tocht, besluit ik om in de berm te gaan zitten. Uitkijkend over een vlasveld en de heuvels van Cap Blanc Nez. Ik heb al op mindere plaatsen mijn lunchpauzes genuttigd. Ik stap verder en ik wandel over de bekendste tunnel die het grote eiland verbindt met het Europese vasteland. Even verder kijk ik recht naar de kerk van Peuplingues maar keer deze even snel mijn rug toe. De tocht gaat verder over de drukke Route d’Escalles en langs een vrij grote manège.


Maar nu staat er mij een heel saai stukje te wachten, welgeteld anderhalve kilometer naast de A16. Daar gaat alle rust dankzij het gedaver van camions en gezoem van wagens. Via de brug D243 laat ik de autoweg achter mij, gelukkig. Niet veel verder, via een redelijke helling, arriveer ik in Bonningues-lès-Calais. Wanneer ik het centrum verlaat, kom ik terecht in een groene oase. Een camping en een Vierkants hoeve veroveren het toneel. Een zelfgemaakt bankje verwelkomt mij te gaan zitten en wil me laten genieten van ‘Le Lot’. Echter ziet het bankje er niet zo stevig uit dus ik ga dan ook niet op de uitnodiging in. Ik bedwing de zoveelste helling en eenmaal boven krijg ik een prachtig uitzicht over Calais en de vierkante kilometers zichtbare velden.



“In historische verslagen werd het dorp pas in 1084 vermeld, die verslagen waren afkomstig van een nabijgelegen dorp, Andres. Een meer zekere vermelding verschijnt in 1100 door de kerk van Bonningues. De schrijf- en zegswijze van de huidige gemeente Bonningues-lès-Calais wordt pas vermeld in 1793. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was Guînes in 1917-1918 de vestiging van het stationeringscommando. Dit commando verzorgde de stationering van troepen, vaak inclusief paarden, voor een min of meer lange tijd. De troepen die van het front kwamen werden in gemeenten gestationeerd die afhankelijk waren van het desbetreffende commando. Bonningues-lès-Calais was zo een gemeente die afhankelijk was en legerde tal van soldaten bij de burgers in huis of in stallen.”


Ik stap twee kilometer over de vlakte die Calais overziet tussen twee enorme velden aardappelen en tarwe. Ik geniet van de Gele Kwikstaarten die druk bezig zijn hun territoria af te bakenen met de nodige zang- en vliegkunsten. Opnieuw kom ik een bankje tegen met een vuilbak, hier maak ik wel gebruik van om even te pauzeren en te turen naar het levendige Calais.


“Calais maakte oorspronkelijk deel uit van het graafschap Artesië, tot de Engelsen het bij het beleg van Calais veroverden in 1347, het bleef tot 1558 een Engelse exclave. Hendrik IV van Frankrijk was in de eindfase beland van de maandenlange belegering op het in Spaanse handen zijnde La Fère toen ineens Albrecht van Oostenrijk verscheen met een leger van dertien- tot vijftienduizend man, voor Calais. Albrecht liet zijn troepen de stad omsingelen. De Engelsen hadden hier geen rekening mee gehouden. Zij waren erop berekend dat zij hun Franse bondgenoot zo weinig mogelijk zouden moeten bijstaan, Hendrik IV had daarvoor een aanbod moeten afslaan van de Engelse koningin. Zij was bereid om enkele Franse havens te versterken met tienduizend Engelsen. In ruil voor deze "hulp" wilde Elizabeth wel het beheer van Calais volledig in Engelse handen krijgen. Ondanks dat werden in Dover door Robert Devereux voorbereidingen getroffen om uit te varen. De kanonschoten waren tot in Greenwich te horen.”


Ik stap verder richting de grote stad en kom iets meer beschaving tegen. Nog even slalommen over de sporen van de TGV en dan gaat het verder richting Hames-Boucres. Het stukje tussen de vlakte boven de grootstad Calais en de Avenue de l’Europe net na Hames-Bourcres, zijn enkele kilometers betonvreten. Mooie uitzichten in de verte maar in de nabijheid niet veel te zien maar dan kom ik in Bois du Guînes, een prachtig bos en het pareltje van deze etappe. De laatste twee kilometer is het elke meter genieten. Een kathedraalbos van eiken, beuken en zelfs Carpinus, velen zeggen ook beuk tegen een Carpinus maar ze is familie van de berk. In onze contreien vooral als haagplant maar hier staan ze zeker al honderd jaar onaangeroerd, het zijn enorme bomen. Ook de ondergroei is van belang, nog nooit zag ik in een bos zoveel diversiteit aan voorjaarsbloeiers. Het zijn er bijna te veel om op te noemen. Ik kom onder andere Speenkruid, Bosanemoon, Gulden Sleutelbloem, Boshyacint, Kruipend Zenegroen, Gele Dovenetel en mijn favoriet Salomonszegel. Die laatste laat me altijd aan pelgrims en pelgrimsroutes denken, vraag me niet waarom ‘grinnik’.



Na al deze bloemen herkend te hebben sta ik aan de wagen. Er heerst hier een gezellige drukte op de parking die vanmorgen volledig leeg was. Moe maar voldaan stap ik in de auto en rijd naar Wissant. Wanneer ik aankom in Wissant verschiet ik mij een bult en twee baren. Nooit geweten dat het hier zo druk kan zijn. Net als de parking in het bos was er hier vanmorgen zo goed als niemand. Nu kan je over koppen lopen. Tegen tien kilometer per uur waan ik mij een weg door de zee van toeristen. Niet veel later zie ik mijn tang van een plooifiets in de verte staan. Hup in de koffer en op mijn gemakje naar Homebase.

172 weergaven1 opmerking

Recente blogposts

Alles weergeven