top of page

Etappe05 GR120 Cap Griz-Nez - Wimereux

↔ 27,49km ─ ↑↓ 399m

Percentage verhard: 35%

Startplaats: Parkeerplaats, Cap Gris-Nez

Aankomst: Parkeerplaats, Boulevard Sainte-Beuve

Vervoer: Wagen

Hike: Bart L., Petra D., Shirley L., Friedel D., Gudrun J., Nele V. en Wandel Mee Met Mij

 

Vandaag reis ik nogmaals af richting Noord-Frankrijk om verder te stappen aan de GR120. Ik heb afgesproken met Bart aan de Carpoolparking in Veurne. Bart is op zijn beurt goed op tijd, hij stapt bij me in de wagen en zo reizen we verder door het donkere Pas-de-Calais. Blijkbaar werd er eerder een rekenfoutje gemaakt langs mijn kant. We zijn bijna een uur te vroeg op de afgesproken parkeerplaats tussen Wimereux en Boulogne-sur-Mèr. Geen erg want we kunnen genieten van een prachtig uitzicht over Boulogne-sur-Mèr en de zee. Ik kan je verzekeren, met de zonsopgang is dit een pareltje. Rond tien voor acht komen de eerste metgezellen opdagen en tegen acht uur is iedereen aanwezig. We zetten met twee wagens koers richting de parkeerplaats bij Cap Gris-Nez.


We starten aan de wandeling met een plaatselijke ronde van twee kilometer om Cap Gris-Nez te ontdekken en om te genieten van de magistrale uitzichten. We wandelen langs de restanten van Duitse bunkers en het ‘Fort Henri VIII’. Even later laat ik mijn vorige ontdekking zien aan de rest, het douanehuisje met een prachtig zicht over de zee. We verlaten de kustlijn en gaan op zoek naar de GR-markeringen. Wanneer we aankomen op Rue de Sodit spotten we de eerste markeringen en stappen we verder langs GR-paden.


“De ruïnes van Fort Henri VIII dateren uit 1544 – 1546, het Beleg van Boulogne. We gaan het hebben over de onbevreesde en goedgelovige koning van Engeland. Hij werd geboren op 28 juni 1491 in Greenwich en heerste als koning van Engeland van 1509 tot 1547. 1547 is tevens het jaar waarin hij het leven liet. Hij trouwde met maar liefst zes vrouwen. Met zijn eerste vrouw, Catharina van Aragon, liep het al fout wanneer ze hem geen zoon kon geven. Ze gaf hem echter wel zes kinderen maar het was enkel Mary Tudor die de kindertijd overleefde. Henri VIII zag dit als een bedreiging en liet daarom het huwelijk nietig verklaren. De paus, Clemens VII, kon hier uiteraard niet mee instemmen. De koning reageerde fors en verbrak de band met Rome. Bezittingen van de Katholieke kerk werden overal in beslag genomen en verdeeld over het koningshuis. Vanaf nu werd Koning Henri VIII kerkheerser en werden katholieken vervolgd. De paus liet zijn macht gelden en liet koning Henri VIII excommuniceren, wat in die tijd toch wat betekende. De koning hertrouwde met Anna Boleyn in 1533. Na enkele wilde nachten met zijn maîtresse Jane Seymour liet Henri VIII zijn vrouw Anna betichten van overspel, hekserij en incest. Hij liet haar vervolgens onthoofden in Londen Tower. Ze werd niet onthoofd door een beul met hakbijl maar op de wijze zoals ze in Calais gewoon waren, met een zwaard. Elf dagen na de executie trouwde hij met zijn derde vrouw,  Jane Seymour. Zij stierf later in het kraambed in 1537. De vierde vrouw werd Anna Van kleef in 1540 maar ze scheidden nog datzelfde jaar. De vijfde vrouw, Catharina Howard, trouwde hij ook nog in 1540 maar het noodlot sloeg wederom toe. De Aartsbisschop van Canterbury, Cranmer, zag de macht van de Norfolk-Clan, Catharina’s familie, groeien. Cranmer liet geloofwaardige roddels verspreiden en betichtte Catharina van overspel. Er werden zelfs namen genoemd van de ontuchtige medespelers: Thomas Culpeper, personeelslid aan het hof van Henri en een zekere Dereham. De koning liet ze allemaal arresteren en deze werden ter dood veroordeeld. Thomas Culpeper werd onthoofd. Dereham werd opgehangen en op de koop toe nog eens gevierendeeld. Catharina’s executie werd uitgevoerd op 13 februari 1542. De roddels waren niet helemaal onzin want de heren hadden effectief een affaire gehad met Catharina maar dit voor het huwelijk met Henri VIII. Als zesde vrouw nam koning Henri VIII de hand van Catharina Parr. Zij was de enige koningin die de koning overleefde, ze regeerde als koningin van Engeland van 1543 tot 1547 en stierf op 5 september 1548.”


Na enkele honderden meter naderen we de kustlijn en krijgen we zicht over het af te leggen traject. We stappen boven op de Cran des Sillers, de krijtrotsen zijn hier onvoorspelbaar en er wordt ons duidelijk gemaakt dat er gevaar is bij het naderen van de rand. Voorbij Cran Barbier en Pointe du Riden komen we de eerste bunker tegen. Op het eerste gezicht zou je durven zeggen dat de Duitsers gedronken hadden bij het bouwen van deze bunker. De deuropening en de observatieopening kijken uit op het binnenland en aan de kustzijde is er helemaal niets te zien. Maar niets is minder waar want dit is een seinbunker die berichten doorseinde naar de achterliggende artilleriebunkers. We stappen verder en passeren Cran aux œufs en Cascade du Cran aux œufs. Van de waterval is niet veel te zien omdat het hier redelijk overwoekerd is door planten. Iets verder komen we enkele observatiebunkers tegen van ‘Batterie Tödt’, Patrick en ikzelf kunnen het niet laten om de bunker te verkennen. Patrick blijft bij de ingang staan en ik ga verder binnen in de bunker. Ik tel zeven ruimtes, waarschijnlijk was dit een manschapsbunker. Aan Cran Poulet verlaten we de GR-route en trekken we anderhalve kilometer het hinterland in. We gaan het museum ‘Musee Batterie Tödt’ bezoeken.


“Kort na de val van Frankrijk, 25 juni 1940, werd al snel duidelijk dat Engeland geen vrede wilde sluiten met Duitsland. De batterij werd in eerste instantie gebouwd ter ondersteuning van de landingstroepen die Engeland zouden gaan bestormen. Operatie Seelöwe werd echter geannuleerd en Duitsland moest rekening houden met een geallieerde landing. In augustus 1940 begon Organisation Todt met de bouw van het complex. De muren en het dak waren van drie en een halve meter dik gewapend beton. De kanonnen waren in eerste instantie bestemd voor oorlogsschepen maar werden aangepast voor het gebruik in bunkers. Het kaliber was 380 mm en ze schoten granaten van enkele honderden kilo’s minimaal tweeënveertig en maximaal vijfenvijftig kilometer ver weg. Elk kanon had een bemanning van negentien soldaten en vier officieren. Op 20 januari 1942 werd het eerste schot gelost. De batterij kreeg aanvankelijk de naam Batterij Siegfried. Een paar dagen voor de officiële opening kwam Fritz Todt, de oprichter van Organisation Todt, in een vliegtuigongeval om het leven. Als eerbetoon werd de naam veranderd in Batterie Todt. Op 12 februari 1942 kwam de batterij in actie om de slagschepen Gneisenau en Scharnhorst en de zware kruiser Prinz Eugen veilig ‘Het Kanaal’ te laten passeren. In het museum staan enkele prachtige stukken tentoongesteld waaronder het pareltje van de westkust, de Krupp K5. Dit is een Duits 280 mm spoorweggeschut uit de Tweede Wereldoorlog. Door de Duitsers werd het "Slanke Bertha" genoemd, naar de Dikke Bertha uit de Eerste Wereldoorlog. Het geschut vuurde een granaat van tweehonderdvijfenvijftig kilogram af over een afstand van bijna zeventig km. Het geschut woog honderdtwintig ton, inclusief treinonderstel en was tweeëndertig meter lang. Het kanon werd bediend door een ploeg van tien soldaten. De kanonnen zijn ingezet aan vrijwel elk Europees front. Tot op heden zijn er nog maar twee spoorwegkanonnen van dit kaliber te bewonderen ter wereld.”


Na het bezoek aan het museum keren we terug naar Cran Poulet en stappen we verder langs de GR120. We passeren Cran Mademoiselle, een kloof die de krijtrots onderbreekt met een kabelend beekje en weelderige begroeiing. De link met Cran Mademoiselle is hier zeker op zijn plaats ‘grinnik’. Nadat we Pointe du Nid de Corbet gepasseerd zijn, naderen we het dorp Audresselles. Het dorpje is ons zeker bekend want hier zijn we na de vorige etappe komen eten bij ‘Chez Mimi’. Het dorp straalt een zeker charme uit, een echt vissersdorp waar de vrouwen vroeger de lange rok droegen en de mannen niets te zeggen hadden.


“De vrouwen van Audresselles speelden een essentiële rol bij het vissen. Zij deden het voorbereidende werk voor de vissersboten en hielpen de boten zelfs op het droge trekken. Hun taak bestond er uit om aas, in dit geval wormen, te gaan zoeken op de stranden van Wissant en Boulogne-sur-Mèr en deze aan de lijnen te bevestigen. Ook het klaarmaken van de netten behoorde tot hun takenpakket. Nadat de mannen aanmeerden, werd de vis door de vrouwen in manden gelegd en op hun rug naar omliggende dorpen vervoerd om deze te verkopen. Men kan stellen dat een vrouw uit Audresselles een bikkelharde tante was en dat de mannen er niet veel te zeggen hadden als ze van hun boten kwamen. Zelfs het financiële gebeuren in de huiskamer en op professioneel vlak werd afgehandeld door de vrouwen.”


We laten het stoere imago van de vrouwen van Audresselles achter ons en keren terug naar de kustlijn. We stappen over het strand tussen Audresselles en Ambleteuse en worden vergezeld door agenten die de horizon afspeuren. Wat ze precies aan het doen waren, hebben we wijselijk niet gevraagd. In elk geval zijn ze niet zo snel op het strand en even later steken we hen vol bravoure voorbij ‘grinnik’. Ondanks het mooie uitzicht over de zee is het strand hier een ware hel om over te stappen, onze kuiten krijgen er flink van langs. We naderen Ambleteuse en ik ben ijverig op zoek naar het bekende fort, ‘Fort Mahon’. Mijn euforie wordt veel minder als ik het fort uiteindelijk te zien krijg. Het is nochtans vervaardigd door het architecturale brein van Vaubon maar hier laat hij een totaal andere stijl zien.


“Het fort werd in 1680 gebouwd en ligt aan de monding van de Slack. Ze moest een oorlogshaven beschermen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het door de Duitsers gebruikt als gevangenis voor dwangarbeiders. Het is de enige versterking van die aard tussen de Frans-Belgische grens en Cherbourg.”


We gaan verder landinwaarts en volgen de Slack uiteraard stroomopwaarts om hem vervolgens net buiten Ambleteuse over te steken. Maar voor we de brug vinden stappen we een plaatselijke ronde van enkele kilometers en deze keer niet opzettelijk ‘grinnik’. Na wat overleg kijken we op de kaart en stappen we in de juiste richting. We vinden de stenen brug, ik denk een oude sluis, en steken de Slack over. Van op de brug krijgen we zicht op het fort en van hieruit ziet het er stukken beter uit. We betreden een prachtig natuurgebied ‘Les Dunes de la Slack’ en onze kuiten krijgen weer een opdoffer. We stappen anderhalve kilometer door mul zand en op de koop toe verblindt de zon ons via het bleke zand. Ooh, wat was ik blij met een korte broek. Ik had te doen met Friedel en Gudrun die aan het afzien waren met hun lange broek ‘grinnik’. Aan parking ‘Les Allemands’ houden we even halt om wat verloren suikers terug aan te vullen. De vrouwen maken gebruik van de duinen voor een plaspauze en terwijl halen we een kilo zand uit onze schoenen. Er resten ons nog enkele kilometers door mul zand en over kiezelstranden. We passeren ‘Pointe des Oies’ en ‘Pointe de la Rochette’ met uitmuntende vergezichten over de zee. We stappen de stad Wimereux binnen en meteen vraag ik iedereen het parcours te verlaten. We gaan op zoek naar de Britse militaire begraafplaats van Wimereux. We slaan Rue Jean Moulin in en openen de poort van de plaatselijke begraafplaats. Achteraan de begraafplaats ligt het plot van de Commonwealth War Graves Commission. Ik vertel waarom we precies naar deze begraafplaats komen want we hadden er vandaag echter meerdere kunnen bezoeken. Ik vertel dat we het graf van Lieutenant-Colonel John McCrae komen bezoeken en dat we, ik alleszins, dit graf niet links kunnen laten liggen. Ik vertel hierbij ook het hele verhaal, weliswaar beknopt, omtrent deze prachtige mens.


“Luitenant-kolonel John Alexander McCrae werd geboren op 30 november 1872 in Ontario, Canada. Hij overleed in het militaire hospitaal van Wimereux - Boulogne-sur-Mèr op 28 januari 1918. Hij was een Canadese dichter, arts, auteur, kunstenaar en militair tijdens de Eerste Wereldoorlog. Hij was chirurg tijdens de Slagen om Ieper. Hij is het meest bekend geraakt door zijn gedicht ‘In Flanders Fields’. Op 28 januari 1918, toen hij dienstdeed als commandant van het Canadese General Hospital McGill, stierf hij aan een gecompliceerde longontsteking door een virale meningitis. Hij werd begraven op Wimereux Communal Cemetery op slechts een paar kilometer van de kust van Boulogne. Zijn paard ‘Bonfire’ leidde de begrafenisstoet en volgens militaire traditie werden John’s laarzen omgekeerd in de stijgbeugels gehangen. De begraafplaats werd ontworpen door Charles Holden en William Cowlishaw. De grafstenen liggen plat in de grond wegens de onstabiele ondergrond op deze plek. Vanaf oktober 1914 werden in de omgeving van Wimereux en Boulogne belangrijke hospitalen gebouwd om de gewonden en zieken op te vangen. Men kan dus stellen dat alle graven hier in Wimereux soldaten zijn die hun verwondingen niet overleefden of niet sterk genoeg waren om de overtocht naar huis te maken.”


We keren terug naar de zeedijk van Wimereux. Er heerst een drukte van jewelste en om eerlijk te zijn moet ik aan onze kust denken. Op enkele prachtige gevels na, is het hier de lelijkheid zelve. Na anderhalve kilometer over de dijk gedarteld te hebben, komen we terug in de rust en weelde. We wandelen via Côte d’Honvault naar de bunkers van Fort de la Crèche die uitkijken op Pointe de la Crèche. Wanneer we toekomen aan Pointe de la Crèche zijn we allemaal gaar gekookt maar we kunnen nog steeds enorm genieten van dit magistrale uitzicht over het verdronken fort.


“Het Pointe de la Crèche is een klif. Hier bevond zich het Fort de Terlincthum dat tussen 1806 en 1808 werd aangelegd in opdracht van Napoleon Bonaparte. Het bestond uit een verhoging die omgeven was door een stenen muur. Dit fort is nu gedeeltelijk in zee verdwenen. In 1879 werd een nieuw fort gebouwd op hoger gelegen grond. Het is het meest noordelijke van een viertal forten die de haven van Boulogne-sur-Mer moesten beschermen. De forten bestonden uit een kazerne, een munitiemagazijn, enkele platformen voor geschut en een waterput. Het fort werd omringd door een stenen muur en een droge gracht. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was het fort operationeel en speelde het ook een logistieke rol. Tijdens de twee wereldoorlogen werd het fort gemoderniseerd. Op 23 mei 1940 bood de batterij weerstand aan de Duitse troepen, maar het moest de strijd staken toen er een gebrek aan munitie was. De Duitsers namen bezit van het fort en versterkten het in 1944. Op 21 en 22 september 1944 werd het fort heroverd door Canadese troepen.”


We stappen verder door de duinen en vanaf hier zien we de haven van Boulogne-sur-Mer liggen, een prachtig zicht. Nog even doorbijten en we staan op de parking waar we vanochtend vertrokken. Ik bied me aan als vrijwilliger en breng Petra, Friedel en Shirley terug naar Cap-Griz-Nez terwijl Bart, Nele en Gudrun op me wachten in een etablissement iets verderop. Ik heb weer genoten van een topwandeling en van het museumbezoek maar de ‘leute’ onderweg was zeker het hoogtepunt! Hopelijk tot weerziens.



164 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven

Comments


Post: Blog2_Post
bottom of page